Search

Make Hands Matter in the Workplace

Drijft Zelfbescherming Handhygiëne Gedrag in de Zorg?

De WHO5 momenten zijn richtlijnen voor handhygiëne, gericht op de gebruiker en gebaseerd op bewijs, op specifieke zorgmomenten rondom een patiënt. Het doel hiervan is om kruisbesmetting te voorkomen. Het volgen van deze richtlijnen kan verspreiding van infecties tussen personen (uitwendig) en infecties door eigen micro-organismen (inwendig) voorkomen. Implementatie en gebruik in een wijde globale setting ondersteunt de effectiviteit deze multimodale benadering van handhygiëne promotie.
In het bijzonder interessant, vanuit het oogpunt van ontwerp, is de potentie die de WHO 5 momenten biedt voor een dieper onderzoek naar WANNEER handhygiëne wordt uitgevoerd en misschien nog wel belangrijker, wanneer niet? Mogelijk is handhygiëne niet altijd en overal hetzelfde…

Als we kijken naar gemeten handhygiëne volgens de WHO 5 momenten, bijvoorbeeld bij de Australian National Hand Hygiene Initiative (Grayson et al., 2011), zien we handhygiëne compliance van 12.6% lager voor patiëntencontact (Moment 1) dan na patiëntencontact (Moment 4). Deze bevinding wordt ondersteund door een systematisch onderzoek door Erasmus et al. (2010) die 35 studies vond met compliance cijfers voor- en na patiëntencontact, met een mediaan van 21% voor patiëntencontact ten opzichte van een veel hogere mediaan van 47% na patiëntencontact.

Wat betekent dit?

Kijkend naar gedrag wijst het erop dat zorgmedewerkers minder geneigd zijn handhygiëne toe te passen voor patiëntencontact, met alle gerelateerde kruisbesmettingsrisico’s van dien. Echter, na de interactie met de patiënt is de zorgmedewerker meer geneigd om handhygiëne toe te passen.

Waarom?

Omdat promotie en educatie rondom de WHO 5 momenten uitgebreid en succesvol is geweest, wordt gesuggereerd dat er onderliggende gedragsindicators zijn die de verschillen in handhygiëne op verschillende specifieke momenten verklaart. Zelfbescherming wordt genoemd als sterke motivator voor handhygiëne door artsen, boven de behoefte om kruisbesmetting te voorkomen (o.a. Erasmus et al, 2009). Dit verklaart mogelijk waarom handhygiëne vaker NA patiëntencontact wordt toegepast, als een gepercipieerd risico voor de zorgmedewerker het gedrag veroorzaakt, terwijl VOOR patiëntencontact het gedrag veroorzaakt moet worden door een wens om potentiële besmetting voor de patiënt te voorkomen. 

Dergelijke motivators verklaren mogelijk ook waarom op WHO 5 Momenten gebaseerde studies vaak lage resultaten van handhygiëne voor Moment 5 – Na aanraken van de omgeving van de patiënt (o.a. Rossini et al, 2013, Grayson et al, 2011).

Huidig onderzoek binnen de NHS (Dawson, 2013 – in voorbereiding) toont indicaties dat dit moment door zorgmedewerkers wordt gepercipieerd als het moment dat het eerst “losgelaten” wordt wanneer druk toeneemt. Aan de andere kant geeft men Moment 2 (Voor een schone/aseptische procedure) en Moment 3 (Na mogelijke blootstelling aan lichaamsvloeistoffen) aan als momenten die “altijd uitgevoerd worden”.

Dergelijke percepties linken aan de “hierarchy of risks” zoals besproken door Whitby et al. (2006) bij het formeren van hun “Inherent and Elective theory of hand hygiene behaviour”. Deze theorie stelt dat het concept van “vervuiling” de sleutel is tot handhygiëne gedrag. Activiteiten die geen “vies” gevoel geven leiden minder snel tot handhygiëne. Mijn huidige onderzoek bekijkt hoe deze theorie gelinkt is aan de WHO 5 Momenten. Dit stelt ons in staat verder te onderzoeken wat handhygiëne drijft op elk van de individuele momenten.

Dit is een spannend nieuw gebied om te ontdekken; Data is schaars en tegengesteld. Voorbeelden van verschillende resultaten tijdens de #ICPIC2013 toont de behoefte aan meer onderzoek naar onderzoeksmethoden om data met elkaar te kunnen vergelijken. Echter, de WHO 5 Momenten levert een perfect raamwerk om verschillende typen handhygiëne te conceptualiseren. Dit kan vervolgens gebruikt worden om directe terugkoppeling te geven aan de directe zorgverleners van patiënten, waarbij sterke gebieden en gebieden vatbaar voor verbetering worden blootgelegd. Wat het nog interessanter maakt is de potentie voor de ontwikkelaars van technologieën om te helpen met dit gespecialiseerde gebied van handhygiëne metingen en feedback.

Innovaties die het monitoren koppelen aan de WHO 5 Momenten stellen zorgmedewerkers in staat feedback te genereren op handhygiëne prestaties. Dit wordt bereikt door gebruik van statistisch valide algoritme maatstaven, waardoor de feedback zowel zeer betrouwbaar als valide gegeven kan worden. Zulke innovaties leveren een robuust overzicht van handhygiëne compliance, echter kunnen momenteel geen specifieke cijfers per handhygiëne moment worden gespecificeerd voor elk WHO moment individueel.

Systemen die in staat zijn op individueel WHO moment niveau te monitoren (bijv. door gebruik van bandjes gedragen door zorgmedewekers) lijken enkel te kunnen meten op WHO Momenten 1,4 en 5. Momenteel lijken Moment 2 en 3 onmogelijk in kaart te brengen door de behoefte aan voorspelling (bijv. Moment 2 – weten dat een schone/aseptische procedure op punt van beginnen staat) en specifieke risicoperceptie (bijv. Moment 3 – de aanwezigheid van risico op blootstelling aan lichaamsvloeistoffen). Metingen van Moment 2 of 3 kunnen niet gebaseerd worden enkel op de detectie van beweging binnen een specifiek gebied.

Een ideale oplossing zou een systeem zijn dat monitoren toestaat op alle 5 WHO Momenten, met de mogelijkheid om feedback te geven op elk individueel moment. Dit vormt een enorme uitdaging. Omdat Moment 1 en 5 in het bijzonder lage niveau’s van compliance tonen, lijkt het logisch om hiermee te beginnen.

Elke tool, technisch of manueel, die data kan leveren over handhygiëne heeft de potentie om waarde te leveren, maar alleen als de geproduceerde data betekenisvol is. Het gebruik van data over prestaties (individueel/per afdeling/per organisatie) op elk van de WHO 5 Momenten – met toenemend begrip voor de waarschijnlijkheid dat handhygiëne per moment verschilt – heeft grote potentie voor educatie en trainingsdoeleinden.

Daar waar we weten dat handhygiëne minder waarschijnlijk is, omdat het niet gedreven is door zelfbescherming of perceptie van vervuiling, moeten we mogelijk data over prestaties nauwer volgen, en innovatiever zijn in onze handhygiëneconcepten. Het is misschien wel tijd om vooruit te zien op handhygiëne compliance metingen. Stop met het stellen van doelen gebaseerd op percentages, en denk over welke specifiek gedrag we echt willen en moeten aanmoedigen. Het is niet enkel handhygiëne, het is WANNEER handhygiëne.

Over Carolyn Dawson, BSc, MA

Carolyn Dawson is een doctoraal onderzoeker voor de Warwick University en onderzoekt handhygiëne in de zorg, de potentiële rol voor technologie en invloeden van menselijk gedrag. Haar onderzoek bekijkt de uitdagingen die zorgmedewerkers moeten aangaan bij het uitvoeren van handhygiëne en de potentiële rol van technologie volgens de WHO 5 Momenten. Je kunt meer inzichten van Carolyn lezen door het bezoeken van haar"Exploring Hand Hygiene" blog of het volgen van @CHD05 op Twitter.